De nieren & de blaas

Gestart door Puppetji, 12 juni 2026, 20:19 u

Vorige topic - Volgende topic

0 Leden en 1 gast bekijken dit topic.

Puppetji

De nieren

 De nieren vertegenwoordigen in het menselijk lichaam het gebied van de menselijke relatie. Nierpijnen en nierziekten komen altijd voor, wanneer men zich in conflictsituaties met de eigen partner bevindt. Met deze partnerrelatie bedoelen wij hier niet seksualiteit, maar heel wezenlijk de manier waarop wij onze medemensen tegemoet treden.
De specifieke manier waarop iemand een andere mens tegemoet treedt, wordt het duidelijkst zichtbaar in de partnerrelatie, maar ook in het contact met andere personen.

Om de samenhang die bestaat tussen de nieren en de partnerrelatie beter te kunnen begrijpen, kan het nuttig zijn eerst de psychische achtergronden van zo'n relatie wat nauwkeuriger te bekijken.

 Door de polariteit van ons bewustzijn zijn wij ons niet bewust van onze totaliteit, van ons ge-heel-zijn, maar identificeren wij ons altijd slechts met een fragment van het zijnde. Dit fragment noemen wij 'ik'. Dat wat ons ontbreekt, is onze schaduw, die wij – per definitie – niet kennen.

De weg van de mens is de weg naar grotere bewustheid. De mens wordt voortdurend gedwongen zich bewust te maken van tot dan toe onbewust gebleven schaduwgedeelten en deze te integreren in zijn identificatie. Dit leerproces kan pas worden afgesloten, wanneer wij een vol-komen bewustzijn bezitten, wanneer wij 'heel' geworden zijn. Deze eenheid omvat de totale polariteit in haar on-gescheidenheid, dus ook het mannelijke en het vrouwelijke.

 De volkomen mens is androgyn, dat wil zeggen, hij heeft de mannelijke en vrouwelijke aspecten in zijn psyche tot een eenheid samengesmolten. Men mag de androgyn niet verwisselen met een hermafrodiet, een tweeslachtig wezen. Vanzelfsprekend heeft het androgyn-zijn betrekking op het psychisch niveau – het lichaam behoudt zijn geslacht. Maar het bewustzijn identificeert zich niet langer daarmee (zoals het kleine kind, dat lichamelijk ook een geslacht heeft, zich daarmee niet identificeert). Het doel van het androgyn-zijn wordt naar buiten toe ook uitgedrukt in het celibaat en in de kleding van priesters en monniken.

Man-zijn betekent, dat men zich met de mannelijke pool van zijn psyche identificeert, waardoor het vrouwelijk deel automatisch in het schaduwgebied valt; vrouw-zijn betekent dienovereenkomstig, dat men zich met de vrouwelijke pool van de psyche identificeert, waardoor de mannelijke pool in het schaduwgebied terechtkomt. Het is onze opgave onze schaduw bewust te maken. Dat kunnen wij alleen maar via de omweg van de projectie. Wij moeten dat wat ons ontbreekt via de omweg van het 'buiten' zoeken en vinden, hoewel het in werkelijkheid altijd in ons aanwezig is.

 Dat klinkt aanvankelijk paradoxaal – en wordt daarom misschien zo zelden begrepen. Maar kennis kunnen wij nu eenmaal niet verwerven zonder de splitsing in subject en object. Het oog kan bijvoorbeeld wel zien, maar kan daarom beslist nog niet zichzelf zien – daarvoor heeft het de omweg nodig van de projectie op een reflecterend vlak. Alleen op die manier kan het zichzelf kennen. Wij mensen bevinden ons in dezelfde situatie. De man kan het vrouwelijk deel van zijn psyche (C. G. Jung noemt dat anima) slechts via de projectie op een concrete vrouw zich bewust maken – hetzelfde geldt omgekeerd voor de vrouw.

Wij kunnen ons de schaduw gelaagd voorstellen. Er zijn hele diepe lagen, die afgrijzen in ons oproepen en ons daarom grote angst inboezemen – er zijn ook lagen die dicht onder de oppervlakte liggen en door ons willen worden aangeraakt en bewust gemaakt. Ontmoet ik nu een mens, die een gebied be-leeft, dat bij mijzelf in een bovenlaag van mijn schaduwgebied ligt, dan word ik verliefd op hem. Het woord 'hem' slaat op het begrip 'mens', dus op man óf vrouw! Maar bovendien kan dit woord 'hem' betrekking hebben zowel op die andere mens, als op het eigen schaduwgedeelte, want beiden zijn uiteindelijk hetzelfde.

 Wat wij in een andere mens beminnen of haten, ligt uiteindelijk altijd in ons zelf. Wij spreken dan over liefde, wanneer een andere mens een schaduwgebied reflecteert, dat wij graag in ons bewust zouden maken, maar wij noemen het haat, als iemand een zeer diepe laag van onze schaduw reflecteert, die wij nog helemaal niet in onszelf willen tegenkomen. Wij vinden het andere geslacht aantrekkelijk, omdat het ons ontbreekt. Wij voelen er vaak angst voor, omdat het ons onbewust is. De ontmoeting met een partner is de ontmoeting met het onbewuste aspect van onze ziel (psyche). Wanneer wij eenmaal helder zien hoe onze eigen schaduwgebieden in de andere mens weerspiegeld worden, zullen wij alle problemen in onze partnerrelatie met andere ogen bezien. Alle moeilijkheden die wij hebben met onze partner, zijn moeilijkheden die wij hebben met onszelf.
 Onze verhouding tot ons onbewuste is altijd ambivalent – het lokt ons aan en boezemt ons angst in. Even ambivalent is onze verhouding tot onze partner – wij houden van hem en haten hem, wij willen hem helemaal bezitten en het liefst van hem af zijn, wij vinden hem prachtig en verschrikkelijk.
In alle activiteiten en alle wrijvingen, die een partnerrelatie beheersen, zijn wij altijd bezig met onze schaduw. Daarom voelen zeer verschillende mensen zich altijd tot elkaar aangetrokken.
Niet alleen de Fransen ('les extrêmes se touchent') weten, dat de uitersten elkaar raken, maar toch is men telkens weer verbaasd, 'hoe uitgerekend die twee elkaar gevonden hebben, terwijl zij toch helemaal niet bij elkaar passen'. Zij passen des te beter, naarmate de tegenstellingen groter zijn, want ieder be-leeft de schaduw van de ander, of – toegespitst gezegd – ieder laat zijn eigen schaduw leven van de partner.

Partnerrelaties tussen twee op elkaar lijkende mensen zijn weliswaar minder riskant en ook probleemlozer, maar dragen meestal niet veel bij tot de ontwikkeling van de betrokkenen: in de ander wordt dan slechts het eigen, bewuste gebied gereflecteerd – en dat is weinig gecompliceerd en vervelend, in de zin van saai! Men vindt elkaar over en weer voortreffelijk en projecteert de gemeenschappelijke schaduw op de resterende omgeving, die men dan ook gemeenschappelijk uit de weg gaat.

 Vruchtbaar zijn slechts de wrijvingen in de partnerrelatie, want alleen door in de ander met de eigen schaduw bezig te zijn, komt men dichter bij zichzelf. Daarmee wordt wel duidelijk, dat het uiteindelijke doel van de partnerrelatie ligt in de eigen ver-volmaking, in de eigen totaliteit.
 
In het ideale geval zouden aan het eind van een partnerrelatie twee mensen moeten staan, die allebei in zichzelf vol-maakt zijn geworden, of minstens – wanneer wij niet over een ideaal geval willen praten – meer 'heel' geworden zijn, omdat zij onbewuste delen van de psyche in zichzelf hebben doorgelicht en op die manier in hun bewustzijn hebben kunnen integreren. Aan het einde staat dus niet het kirrende, verliefde paar, waarvan de ene helft niet kan leven zonder de andere.

De aanduiding dat men zonder de ander niet kan leven, maakt slechts duidelijk, dat iemand uit louter gemakzucht (men zou ook kunnen zeggen: lafheid) de ander gebruikt om de eigen schaduw te laten leven, zonder pogingen te ondernemen zich met de projectie bezig te houden en deze terug te nemen.
In dergelijke gevallen (en dat is het merendeel!) staat een partner de ander ook niet toe, dat deze zich verder ontwikkelt, omdat daardoor de gewoon en vertrouwd geworden rollen onzeker zouden worden. Is een van beiden in psychotherapeutische behandeling, dan klaagt de partner vaak, dat de ander zo ontzettend veranderd is... ('Wij wilden eigenlijk toch alleen maar dat het symptoom verdween!')

 Een partnerrelatie heeft dan haar doel bereikt, wanneer men de ander niet meer nodig heeft. Alleen in zo'n geval heeft men de belofte van 'eeuwige liefde' serieus genomen. Liefde is een daad van het bewustzijn en betekent, dat men de eigen bewustzijnsgrens openstelt voor datgene wat men liefheeft, om zich daarmee te verenigen. Dat is pas gebeurd, wanneer men alles wat de partner representeerde, in zich heeft opgenomen – anders gezegd – wanneer men alle projecties teruggenomen en zich daarmee verenigd heeft. Daarmee is de partner als projectievlak leeg geworden – leeg in de zin van: zonder aantrekking en zonder afstoting; de liefde is eeuwig, dat wil zeggen, onafhankelijk geworden van de tijd, omdat zij in de eigen psyche werd verwerkelijkt.

Dergelijke overwegingen roepen altijd angst op bij mensen, die met hun projecties zeer in het materiële gevangen zitten. Zij binden liefde aan de verschijningsvorm, in plaats van aan bewustzijnsinhouden. Bij zo'n houding wordt de vergankelijkheid van het aardse een bedreiging en men hoopt dan zijn 'dierbare naastbestaanden' in de andere wereld terug te vinden. Daarbij ziet men over het hoofd, dat de 'andere wereld' altijd aanwezig is. De andere wereld is het gebied aan gene zijde van de materiële vormen.
Men hoeft slechts al het zichtbare in het bewustzijn te transmuteren, en men is al aan gene zijde van de vormen. Al het zichtbare is slechts gelijkenis, waarom zou het dan bij de mensen anders zijn? De zichtbare wereld moet door ons leven overbodig worden gemaakt – dat geldt ook voor de partner. Problemen ontstaan pas dan, wanneer twee mensen hun partnerrelatie op een verschillende manier 'benutten', doordat de een met zijn projecties bewust bezig is, deze verwerkt en weer terugneemt, de ander echter volledig in de projecties blijft steken. Dan kan het moment niet uitblijven, waarop de een van de ander afhankelijk wordt, terwijl het hart van die ander breekt. Blijven echter beide partners in de projectie steken, dan zien wij een liefde tot in het graf–en daarna het grote leed omdat de ander ontbreekt!

Gelukkig de mens, die begrijpt dat hem juist dat niet kan worden afgenomen (en ook alleen maar dát, wat hij in zichzelf verwerkelijkt heeft). Liefde wil één zijn, verder niets. Zolang zij nog op 'buiten'-liggende objecten is gericht, heeft zij haar doel niet bereikt.

Het is belangrijk deze innerlijke structuur van een partnerrelatie heel precies te kennen, wil men de analoge betrekkingen met het gebeuren in de nieren kunnen begrijpen. Wij vinden in het lichaam zowel enkelvoudige organen (bijvoorbeeld maag, lever, pancreas, milt) als in paren voorkomende organen (bijvoorbeeld longen, teelballen, eierstokken en nieren).

Wanneer wij de gepaarde organen bekijken is het opvallend, dat zij allemaal een betrekking hebben met het thema 'contact' en 'partnerrelatie'. Daarbij vertegenwoordigen de longen het vrijblijvende contact- en communicatiegebied, terwijl teelballen en eierstokken als geslachtsorganen de seksualiteit representeren. De nieren daarentegen komen overeen met de partnerrelatie in de zin van een intieme medemenselijke ontmoeting.
Deze drie genoemde gebieden komen overigens ook overeen met de drie Oudgriekse begrippen voor liefde: philia (vriendschap), eros (seksuele liefde) en agape in de zin van de zich stapsgewijze voltrekkende eenwording met alles.

 Alle stoffen die het lichaam opneemt, komen ten slotte in het bloed terecht. De nieren hebben de taak van een centraal filtreerstation. Om deze taak te kunnen vervullen moeten zij weten welke stoffen van het organisme nuttig en bruikbaar zijn en welke afvalstoffen en vergiften uitgescheiden moeten worden. Voor deze zware taak beschikken zij over verschillende mechanismen, die wij hier, omdat zij fysiologisch gezien zeer complex zijn, tot twee basisfuncties zullen vereenvoudigen. De eerste stap in het fiitreerproces functioneert volgens het voorbeeld van een mechanische zeef, waarin deeltjes vanaf een bepaalde afmeting worden achtergehouden. De 'mazen' van deze zeef zijn precies zo groot, dat de kleinste eiwitmolecule (albumine) nog net kan worden achtergehouden. De tweede, zeer gecompliceerde stap berust op een samengaan van osmose en het tegenstroomprincipe. In wezen berust de osmose op een evenwicht tussen de druk en concentratieverschillen van twee vloeistoffen, die door een semipermeabele wand (membraan) van elkaar zijn gescheiden. Daarbij zorgt het tegenstroomprincipe ervoor, dat de twee verschillend geconcentreerde vloeistoffen voortdurend langs elkaar heen worden geleid, waardoor de nier in staat is, wanneer nodig, sterk geconcentreerde urine uit te scheiden (bijvoorbeeld ochtendurine). Bij het osmotische evenwicht gaat het er uiteindelijk om, dat de belangrijkste zouten voor het lichaam behouden blijven, en daarvan is dan onder andere weer het evenwicht tussen zuren en basen afhankelijk.

 De leek op medisch gebied heeft er meestal geen notie van hoe levensbelangrijk dit evenwicht tussen zuren en basen is, dat numeriek in de pH-waarde wordt uitgedrukt. Zo zijn alle biochemische reacties (bijvoorbeeld energieproduktie, eiwitsynthese) afhankelijk van een binnen enge grenzen stabiel blijvende pH-waarde. En daarmee blijft het bloed precies in het midden tussen basisch en zuur, tussen yin en yang.
Analoog is iedere partnerrelatie de poging om de beide polen: mannelijk (yang, zuur) en vrouwelijk (yin, basisch) in harmonisch evenwicht te brengen. Zoals de nieren ervoor zorgen dat het evenwicht tussen zuren en basen veilig gesteld is, zorgt analoog de partnerrelatie ervoor, dat men door de verbinding met een ander mens, die onze schaduw be-leeft, zelf de weg van de ver-vol-making gaat. Daarbij compenseert de andere (of 'betere') helft door zijn zo-zijn, wat onszelf ontbreekt.

 Het grootste gevaar in een partnerrelatie is echter altijd onze overtuiging, dat problematische en storende gedragingen uitsluitend het probleem van de partner zijn, waarmee wij zelf niets te maken hebben.
In dat geval blijft men zelf in de projectie steken en herkent men niet de noodzaak, noch het nut, aan het werk te gaan met de door de partner gereflecteerde eigen schaduwgebieden en deze te verwerken, om zo door bewustwording te groeien en te rijpen. Wanneer deze misvatting somatisch wordt, laten ook de nieren levensbelangrijke stoffen (eitwit, zouten) de filtreersystemen passeren en verliezen zij voor de eigen ontwikkeling wezenlijke bestanddelen aan de buitenwereld (bijvoorbeeld bij de glomerulonefritis). Zij laten daarmee hetzelfde onvermogen zien om belangrijke stoffen als eigen stoffen te herkennen als de psyche, die belangrijke problemen niet als behorend-bij-het-eigen-wezen herkent en daarom overlaat aan de ander.
Zoals de mens zich in de partner moet herkennen, hebben de nieren het vermogen nodig om de van buiten komende 'vreemde' stoffen te herkennen als belangrijke stoffen voor de eigen functie en ontwikkeling.
Hoe groot de betrokkenheid van de nieren bij het thema 'partnerrelatie' en 'contactvermogen' is, kan men goed uit bepaalde gewoonten van het dagelijks leven afleiden. Bij alle gelegenheden, waar mensen samenkomen met de bedoeling met elkaar in contact te treden, speelt het drinken een overgrote rol. Geen wonder, want drinken stimuleert het 'contactorgaan nieren' en daarmee ook het psychische contactvermogen. Het contact wordt al gauw nog inniger, als men met de gevulde glazen met elkaar gaat klinken. Zo kan men via het klinken zonder ongepastheid in intiemer contact treden. Ook het overgaan van het gedistantieerde 'u' op het vertrouwdere 'jij' gaat vaak samen met een of ander drinkritueel. Men begiet het contact!

Het tot stand komen van menselijk contact zonder gemeenschappelijk te drinken, is moeilijk voorstelbaar, wanneer wij denken aan een party, een gezellig samenzijn of een volksfeest; overal drinkt men zich moed in om dichter bij de ander te komen. Daarom ook bekijkt degene, die niet meedrinkt, een dergelijk gebeuren met argwanend oog, want wie niet, of weinig drinkt, geeft daarmee te kennen dat hij zijn contactorganen niet wenst te stimuleren en dat hij dus distantie wil houden.
Bij al deze gelegenheden geeft men duidelijk de voorkeur aan sterk diuretische (urinedrijvende) dranken, die de nieren bijzonder krachtig stimuleren, zoals koffie, thee en alcohol. (Direct na het drinken volgt het roken als belangrijke factor bij gezellige gelegenheden. Roken stimuleert ons andere contactorgaan, de longen. Het is algemeen bekend, dat men in gezelschap meestal veel meer rookt, dan wanneer men alleen is.)
Wie veel drinkt toont daarmee zijn verlangen naar contact – maar het gevaar bestaat, dat men op het niveau van de surrogaatbevrediging blijft steken.

 Nierstenen ontstaan o.a. door stoornissen in de stofwisseling en kristallisatie van overvloedig in de urine aanwezige stoffen (bijvoorbeeld urinezuur, calciumfosfaat, calciumoxalaat). Behalve de medeverantwoordelijke milieusituatie, is er een sterke correlatie tussen het gevaar van niersteenvorming en de hoeveelheid vloeistof die men drinkt. Een grote hoeveelheid vloeistof verlaagt de concentratie van een stof en vergroot de oplosbaarheid. Wordt er echter toch een steen gevormd, dan onderbreekt deze de vloeistofstroom en kan hij tot een koliek leiden. De koliek is een zinvolle poging van het lichaam om de blokkerende steen door peristaltische bewegingen van de urineleider naar buiten te transporteren. Dit buitengewoon pijnlijk gebeuren kan men met een bevalling vergelijken. De pijn van de koliek leidt tot een enorme onrust en hevige bewegingsdrang. Wanneer de lichaamseigen koliek niet voldoende is om de steen op zijn weg naar buiten in beweging te krijgen, adviseert de arts zijn patiënt zelfs, ook nog te gaan springen om dat doel te bereiken. Verder tracht de therapie, met name door ontspanning, toevoer van warmte en veel drinken, de 'steenbevalling' te bespoedigen.

 De overeenkomsten op het psychisch niveau zijn overduidelijk. De blokkerende steen bestaat uit stoffen, die eigenlijk uitgescheiden moesten worden, omdat zij niets meer kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van het lichaam. Deze steen komt overeen met een opeenstapeling van thema's, die men eveneens reeds lang had moeten loslaten, omdat zij niets meer te bieden hadden voor een verdere ontwikkeling.
Wanneer men echter aan onbelangrijke en achterhaalde thema's blijft vasthouden, blokkeren zij de stroom van de ontwikkeling en veroorzaken zij een stuwing. Het symptoom van de koliek dwingt dan om die bewegingen te maken, die men juist door zijn vasthouden aan het oude wilde verhinderen. De arts vraagt de patiënt precies het enig juiste te doen: te springen. Pas de sprong uit het oude kan de ontwikkeling weer op gang brengen en bevrijden van het achterhaalde (de steen).

 De statistiek kent het verschijnsel, dat mannen vaker aan nierstenen lijden dan vrouwen. Met de thema's 'harmonie' en 'partnerrelatie' hebben mannen meer moeite dan vrouwen, die van nature dichter bij deze principes staan.
Omgekeerd vormt de agressieve zelfhandhaving voor de vrouw een groter probleem, omdat dit principe de man meer vertrouwd is. Dit statistisch gegeven leerden wij al kennen bij het eerder besproken veelvuldig voorkomen van galstenen bij vrouwen. De bij de nierkoliek toegepaste therapeutische maatregelen beschrijven al duidelijk de principes, die bij de oplossing van problemen op het gebied van de harmonie en de partnerrelatie kunnen helpen: warmte als uitdrukking van toewijding en liefde, ontspanning van de verkrampte vaten als teken van het zich-openen en ruimer-worden en ten slotte de toevoer van vloeistof, die alles weer in vloeiende beweging brengt.

 Schrompelnieren – kunstnieren

 Het eindpunt in de ontwikkeling van de nierziekte is bereikt, wanneer alle functies van de nieren volledig zijn uitgevallen en daarom een machine, de kunstnier, de levensbelangrijke spoelingen van het bloed moet overnemen (dialyse).
Nu wordt de perfecte machine de nieuwe partner, omdat men niet bereid was met levende partners actief te werken aan de oplossing van zijn problemen.
Wanneer geen partner perfect en betrouwbaar genoeg was, of het verlangen naar vrijheid en onafhankelijkheid te sterk bleek, vindt men dan nu in de kunstnier een partner die ideaal en perfect is, omdat hij zonder voor zichzelf ergens aanspraak op te maken of iets te eisen, trouw en betrouwbaar alles doet wat men van hem verlangt.
Maar daar staat wel tegenover, dat men ook totaal van hem afhankelijk is: minstens drie keer per week moet men naar het ziekenhuis om hem te ontmoeten, of – wanneer men zich een eigen machine kan permitteren – slaapt men nachten achtereen trouw aan zijn zijde. Men kan zich nooit ver van hem verwijderen en men leert misschien via deze omweg, dat er nu eenmaal geen perfecte partner bestaat – zolang men zelf nog niet vol-komen is.

____________________________________________________________________________________

Nierziekten

 Wanneer men het aan of voor de nieren heeft, zou men zich het volgende moeten afvragen:

 1. Welke problemen heb ik op het gebied van mijn partnerrelatie?
 2. Heb ik de neiging in de projectie te blijven steken en daardoor te denken, dat de fouten van mijn partner alleen zijn probleem zijn?
 3. Laat ik het achterwege in alle gedragingen van mijn partner mijzelf te ontdekken?
 4. Houd ik aan oude problemen vast en verhinder ik daardoor de vloeiende stroom van de ontwikkeling?
 5. Welke sprongen wil mijn niersteen mij eigenlijk laten maken?

______________________________________________________________________________________



De blaas

  De blaas is het reservoir, waar in de vorm van urine, alle in de nieren uitgescheiden stoffen wachten om het lichaam te kunnen verlaten. De druk, die door de hoeveelheid urine ontstaat, dwingt na zekere tijd tot loslaten, wat een gevoel van opluchting geeft. Wij weten allemaal echter uit ervaring, dat de drang om te urineren vrij vaak duidelijk verband houdt met bepaalde situaties. Dat zijn altijd situaties, waarin de mens onder psychische druk staat, of het nu een examen, een therapie of een ander gebeuren is, waarmee angst voor het onbekende of stress is verbonden. De druk, die aanvankelijk psychisch wordt ervaren, wordt naar beneden in de blaas geschoven en daar dan als een lichamelijke druk gevoeld.
 
  Druk roept ons altijd op om los te laten en te ontspannen. Wanneer dit psychisch niet lukt, moeten wij het via de blaas lichamelijk toestaan. Via deze omweg wordt duidelijk merkbaar hoe groot de druk in werkelijkheid is, hoe pijnlijk het kan worden, als men niet loslaat en hoe bevrijdend anderzijds het loslaten is. Verder maakt de somatisch geworden druk het ook mogelijk, de passief gevoelde druk in een actieve druk om te zetten; men kan namelijk met het argument, dat men naar het toilet moet, bijna iedere situatie onderbreken en manipuleren. Wie naar het toilet moet, bespeurt druk en oefent tegelijkertijd druk uit – dat weet iedere leerling even goed als de patiënt. Zij gebruiken beiden dit symptoom onbewust, maar altijd doelgericht.
 
  Het hier heel duidelijke verband tussen symptoom en uitoefening van macht, speelt ook bij alle andere symptomen een niet te onderschatten rol. Iedere zieke heeft de neiging zijn symptomen ook als machtsmiddelen te gebruiken.
Daarmee raken wij aan een van de sterkste taboes van onze tijd. Uitoefening van macht is een basisprobleem van de mens. Zolang de mens een 'ik' heeft, streeft hij naar dominantie en machtsuitoefening. Ieder: '...maar ik wil' is een uitdrukking van dit streven het ego te laten domineren.
Omdat macht anderzijds een zeer negatief begrip geworden is, zien de mensen zich gedwongen hun machtswil steeds beter te camoufleren.
Naar verhouding hebben maar weinig mensen de moed hun aanspraak op macht openlijk uit te spreken en te beleven. Het merendeel probeert zijn verdrongen machtswil via omwegen door te drukken. In onze tijd gebruikt men daarvoor met name alle niveaus van ziekte en sociale zwakte. Deze niveaus zijn relatief veilig voor ontmaskering, omdat de projectie van de schuld op functionele ontwikkelingen en op de omgeving als verklaringsmodel algemeen is geaccepteerd en gelegitimeerd.

  Omdat bijna alle mensen deze niveaus in mindere of meerdere mate gebruiken voor hun machtsstrategieën, heeft niemand er belang bij dit verschijnsel te ontmaskeren, en iedere poging daartoe wordt verontwaardigd van de hand gewezen. Onze wereld kan met ziekte en dood gechanteerd worden. Door ziekte kan men bijna altijd dat bereiken, wat men zonder symptomen nooit zou krijgen: toewijding, aandacht, geld, vrije tijd, hulp en controle over anderen. De secundaire winst uit de ziekte, die verkregen wordt door het symptoom als machtsinstrument te gebruiken, staat vaak de genezing in de weg.

   Het thema 'symptoom als uiting van macht' is ook goed herkenbaar bij het zogenaamde bedwateren. Wanneer een kind overdag zo zeer onder druk staat (ouders, school) dat het niet kan loslaten, noch opkomen voor zijn eigen aanspraken, worden door het nachtelijke bedwateren verscheidene problemen in één keer opgelost: het loslaten als antwoord op de ervaren druk en tegelijkertijd een gelegenheid de anders zo machtige ouders tot totale hulpeloosheid te veroordelen. Via het symptoom kan het kind, veilig gecamoufleerd, al die druk weer teruggeven, die het overdag te dragen krijgt. Tegelijkertijd moet men het verband tussen bedwateren en huilen niet uit het oog verliezen. Beide activiteiten brengen ontlading en ontlasting van een innerlijke druk door los te laten. Men zou daarom het bedwateren ook kunnen zien als een 'huilen in het onderlichaam'.

 Ook bij alle andere blaassymptomen zijn de hierbesproken themagebieden betrokken. Bij de blaasontsteking geeft het brandende gevoel bij het urineren heel duidelijk aan, hoe pijnlijk het loslaten door de patiënt wordt beleefd. De voortdurende drang om te urineren, terwijl er toch geen, of maar heel weinig urine wordt uitgescheiden, drukt het absolute onvermogen uit, om ondanks de druk, los te laten. Bij al deze symptomen moeten wij bedenken, dat de stoffen, resp. thema's die men zou moeten loslaten, allemaal achterhaald en alleen nog maar ballast zijn.

__________________________________________________________________

Blaasziekten

 Blaasziekten roepen de volgende vragen op:

 1. Aan welke gebieden houd ik vast, hoewel zij achterhaald zijn en erop wachten uitgescheiden te worden?
 2. Waar zet ik mijzelf onder druk en projecteer ik die druk op anderen (examen, werkgever)?
 3. Welke achterhaalde thema's zou ik los moeten laten?
 4. Waarover huil ik?

__________________________________________________________________

Fragment uit boek: De zin van ziekzijn
Thorwald Dethlefsen & Rüdiger Dahlke
Er is slechts eeuwig, keuzeloos Zijn zonder begin of einde. - https://rameshbalsekar.com/teachings/